• Columnist Jan Beyer heeft zijn 200ste column voor de Stad Tiel geschreven.

    Raphael Drent

Aafje

De bel gaat. Er staat een jonge vrouw op de stoep. Ze is op de fiets en heeft de ijzige kou getrotseerd met een kort zwart leren jackje. Ze is van de krant. Aafje. De krant heeft haar gevraagd mij te interviewen omdat ik jubileer. Nou ja, jubileer, ik heb op de kop af tweehonderd columns geschreven en als je dat een jubileum wilt noemen, mij best. Aafje studeert journalistiek, vertelt ze. En ik heb een journalistiek verleden. Dus is het ijs snel gebroken. Over de pers raak je nooit uitgepraat. Hoe kranten vroeger werden gemaakt, wil ze weten. In de tijd dat er nog geen internet was. Geen Google, geen Facebook, geen laptop, geen mobieltje. Geen nepnieuws, maar altijd hoor en wederhoor. Je was journalist met alleen een typemachine, carbonpapier en flesjes Typp Ex waarmee je tikfouten kon weglakken. Ik voel me een ouwe knar als ik haar dit allemaal vertel. Oud, ik ben het ook, maar ik wuif het graag weg. Ik ben nu eenmaal geen type dat het verleden romantiseert. Ik hou niet van dat soort gezever. Er zijn columnisten die alle verandering in het leven, alle vooruitgang, met argwaan bekijken. Hunkeren naar de tijd van Ot en Sien, toen de fabrieksarbeider met niet meer dan 85 gulden schoon in het loonzakje thuis kwam, ik moet er niet aan denken. Aafje maakt een paar aantekeningen in haar boekje. Ze wil weten wat mij bewogen heeft om al die columns te schrijven. Ik denk even na. Moeilijke vraag. Wat ik ermee wil bereiken? Als een politicus een dergelijke vraag in verkiezingstijd moet beantwoorden, volgt er doorgaans een riedel van goede voornemens, die in de praktijk op geen enkele wijze hout snijden. Mijn beweegredenen zijn simpel en getuigen van meer realiteit. Ik hecht veel waarde aan een even hechte band met mijn lezers. Ik geniet ervan, als ze me vertellen dat ze naar mijn column uitkijken en eerst die laatste redactiepagina in de Stad Tiel opslaan. Die kick, dat is mijn drijfveer. Daar doe ik het voor. Elke week weer. Het houdt me jong, net als dat gesprek met de jeugdige Aafje, die mij als een frisse journalist-in-de-dop zo onbevangen interviewde. Ze is 22, een leeftijd waar ik tot in mijn tenen jaloers op ben. Ooit was ik ook zo'n jonge verslaggever boordevol idealen. Of die zijn uitgekomen? Soms wel, soms niet. Ze zijn vaak wel de moeite waard om erover te schrijven. U moet mijn column maar blijven lezen. En blijven reageren. Positief of negatief, maakt niet uit. Op naar de driehonderd, Aafje!

Jan Beijer

(reageren: jbeijer@upcmail.nl)