Uitdelen

Bij het Tielse station stap ik het corsoparcours op en val direct met mijn neus in de boter. Wat een schitterend schouwspel. De schoonheid van de wagens is weer verbazingwekkend. Het publiek verbaast me ook, maar dan in minder positieve zin. Op de Prinses Beatrixlaan nestel ik me achter een rij stoeltjes met dagjesmensen, die het corso combineren met een meegebrachte lunch. Een potige zestiger met een Achterhoeks accent trekt het deksel van een plastic bakje af en propt een halve bruine boterham in de mond. Het ruikt naar gebakken ei, maar het kan ook een in plakjes gesneden bal gehakt met mosterd zijn. De stoelzitters schieten overeind als er appels worden uitgedeeld. Heerlijk zo'n gratis appeltje bij de lunch. Eentje is niet genoeg. De hebzucht slaat toe. Graag ook nog eentje voor mijn vrouw, voor mijn schoonzuster en mijn zwager, hoor ik de Achterhoeker smeken. Het lukt, hij krijgt er vier, maar het formaat van de appels valt tegen. Het zijn wel kleintjes, zo wordt er gemopperd. Vorig jaar waren ze een stuk groter, zo weten de appelkluivers zich met stelligheid te herinneren. En ze zijn ook nog aan de zure kant, hoor ik een jonge vrouw mekkeren. Dan is er plotseling voor de corsokijkers opnieuw reden om overeind te springen, want er is weer een gratis rondje in aantocht. Nu zijn het rode petjes, uitgedeeld door het dagblad De Gelderlander. Petjes, gratis en voor niks. Opnieuw die hebberigheid. Ik heb vier kinderen, roept een ongeduldige vrouw. Dat betekent dus vier petjes. Of De Gelderlander daar maar even rekening mee wil houden. Ze krijgt haar zin. Er zijn meer mensen die met het oog op de petjes beweren met grote gezinnen gezegend te zijn. Dat de gezinsgrootte zo omhoog is geschoten, is overigens nieuw voor mij. Ik zie nu steeds meer armen in de richting van de uitdelers. Ja, hier, ik ook, ik ook, ik ook, ik ook. En ik, ik, ik, ik. Die bedelende mensen, die uitgestoken armen in Tiel, in Nederland, in een van de rijkste landen van de wereld. Ik wend mijn hoofd af. In gedachten zie ik vergelijkbare beelden uit de kampen van Bangladesh, waar de uit Myanmar verjaagde en uitgemergelde Rohingya bevolking moedeloos de arm uitstrekt naar hulpverleners, die veel te weinig voedsel voor hen hebben. Natuurlijk gaat deze vergelijking mank, dat weet ik ook wel, maar het geeft mij wel reden tot nadenken. Wat een wereld. Het gaat mij boven de pet.

Jan Beijer

(reageren: jbeijer@upcmail.nl)