• Columnist Jan Beyer heeft zijn 200ste column voor de Stad Tiel geschreven.

    Raphael Drent

Beeldscherm

Ik ben een praterig type. Gezellig kletsen aan de bar, een al of niet schuine mop vertellen, nieuwtjes horen. Contact met de omgeving. Het hoort allemaal bij me. Dat is altijd al zo geweest. Maar blijft dat zo? Ik heb er een zwaar hoofd in. Op de terugreis van onze laatste vakantie kwam ik in het vliegtuig naast een fors uitgevallen jongeman te zitten, die op mij overkwam als een soort aangeklede rolmops. De hele reis zat hij met opgetrokken knieën en met de rug naar mij toegekeerd, vastgeplakt in zijn stoel. Als ik mijn blik zijn kant op liet gaan, keek ik aan tegen een spekkig stuk blote rug tussen zijn broek en zijn strakke trui. En ik zag een fractie van zijn fors uitgevallen bilspleet. Alleen zijn duimen bewogen. Die dansten onophoudelijk over de toetsen van zijn smartphone, waar hij zijn priemende ogen nog geen seconde van af wist te houden. Hij zei geen woord, soms dacht ik een giechelend gegrinnik te horen. Dat was alles, wat zijn communicatie betreft. Jammer, dacht ik. Ik had graag een buurman of buurvrouw gehad met wie ik lekker had kunnen converseren. Dan duurt de vlucht ook niet zo lang. Ik deed nog wel een poging en tikte mijn appende medepassagier zachtjes op de schouder. Leuke vakantie gehad, probeerde ik. Hij mompelde iets over een vuurwerkshow die hij had bezocht en dook weer op het beeldscherm, de rug nog steeds naar mij toegekeerd. Dat bleef de hele vlucht zo. Ik reed met een onbestemd gevoel van Schiphol richting Tiel. Bij een restaurant, dat we in het vizier kregen, zag het er gezellig uit. Dus stoppen maar, niet alleen om de maag een plezier te doen, maar ook om weer even tussen opgewekt converserende mensen te zijn. De jongedame die aan ons tafeltje verscheen, begroette ons vriendelijk en vroeg vervolgens of we "wisten hoe het hier werkt." Gewoon bestellen en opeten, dacht ik, maar ik zat ernaast. Zij reikte ons twee tablets met een scherm vol plaatjes aan. Het waren fotootjes van onsamenhangende gerechtjes, van alles wat. Misschien was de kwaliteit ervan best te pruimen, daar wil ik afblijven, maar de lust ontbrak mij om op dat digitale hapjesscherm te gaan zitten kijken. Om ons heen deed iedereen dat wel. Als rolmopsen zaten de eters over hun tablet gebogen. Alleen oog voor die plaatjes, nauwelijks voor elkaar. We keken het even aan en stonden op. Naar de uitgang. Ik zag nog dat de serveerster er niets van begreep dat we haar de rug toekeerden.

Jan Beijer

(reageren: jbeijer@upcmail.nl)