• Bert Laponder
  • Bert Laponder

Maurikse 'Bijbelvorscher' omgekomen in Auschwitz

MAURIK In Amsterdam zal volgend jaar het Holocaust Namenmonument verrijzen met namen van Nederlandse Holocaustslachtoffers die geen graf hebben. Naast de 102.000 Joodse slachtoffers zijn er ook nog andere groepen mensen systematisch door de nazi's vermoord, zoals: Roma en Sinti, Jehovah's Getuigen, communisten, vrijmetselaars, homoseksuelen, gehandicapten en geesteszieken. Vreemd genoeg krijgen alleen de Joodse, Roma en Sinti-slachtoffers op het monument een vermelding. Duizenden Holocaustslachtoffers worden dus niet genoemd, waaronder 126 omgekomen Jehovah's Getuigen. Zij bleven getrouw aan hun geloof en behoorden met de Joden tot de eersten die in de naziconcentratiekampen terecht kwamen. Eén van die slachtoffers is Elisabeth Honders, die voor de oorlog 18 jaar lang in Maurik en omgeving heeft gewoond.

door Richard van de Velde

De officiële naam van de Jehovah's Getuigen luidt Het Wachttoren- Bijbel en Traktaatgenootschap. Deze organisatie is aan het eind van de 19e eeuw in Pittsburgh (VS) ontstaan. Sinds 1879 worden hun ideeën verspreid door een tijdschrift, nu bekend als 'De Wachttoren'. Jehovah's geloven dat de bijbel het volmaakte woord van God is en ze interpreteren de bijbel zo letterlijk mogelijk. Zij zien het als hun religieuze plicht hun geloof te verkondigen en dit door huis-aan-huisbezoeken te verspreiden. Bovendien geloven ze dat het einde der tijden nabij is en dat er een hemelse opstanding zal plaatsvinden.

Na de machtsovername in 1933 door de nazi's in Duitsland, protesteren Jehovah's Getuigen direct tegen de ideologie van Hitler. Vanuit hun diepste overtuiging verzetten zij openlijk tegen dit Nationaal Socialisme. Zo weigeren ze onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de staat, in het leger te dienen, wapens te dragen en voor de oorlogsindustrie werkzaam te zijn. Zij vinden dat ze slechts gebonden zijn aan God. Daardoor mogen ze geen lid worden van een politieke partij, geen trouw zweren aan een vlag, geen volksliederen zingen en geen Hitlergroet brengen. Door deze opstelling wordt deze kleine godsdienstige groepering al snel verboden en wordt ze doelwit van stelselmatige vervolging. Sommigen vluchten zelfs naar Nederland.

Paarse driehoek

De Jehovah's zien het als hun heilige plicht om te prediken en daardoor zetten zij hun activiteiten ondergronds voort. Toch worden er velen opgepakt en in enkele gevallen worden hun kinderen bij hen weggehaald en 'heropgevoed' in nazi-gezinnen. Door het tekenen van een zgn. Afzweringverklaring kunnen de gearresteerden aan vervolging ontsnappen. Tweederde van hen ondertekenen niet en worden afgevoerd naar concentratiekampen, alwaar zij een paarse driehoek als herkenningsteken moeten dragen. Ongeveer 10.000 Duitse Jehovah's komen op deze wijze in concentratiekampen terecht, waarvan er ca. 1500 omkomen.

Afzweringsverklaring

De bijna 500 Jehovah's Getuigen in bezet Nederland staat hetzelfde te wachten. Op 29 mei 1940 verbiedt rijkscommissaris Seys-Inquart hun organisatie, die toen nog Vereeniging van Bijbelvorschers heet. Met nachtelijke plak- en strooiacties zijn zij de eersten die georganiseerd verzet bieden. Door hun standvastige verzet tegen de Duitsers groeit hun ledenaantal in de oorlogsjaren gestaag tot 3100.

Eind 1940 zijn alle Jehovah's Getuigen door de Sicherheitspolizei, ook wel Gestapo genoemd, in kaart gebracht en begint het infiltreren van deze groep. Mede als gevolg hiervan worden in Nederland zo'n 260 Jehovah's gearresteerd en opgesloten in gevangenissen en concentratiekampen. Eén derde van hen tekent tenslotte een zgn. Afzweringsverklaring. Daarmee belooft men zich los te maken van de geloofsgemeenschap en af te zien van verdere activiteiten. Meestal worden ze dan na korte tijd weer vrijgelaten.

Stokslagen

De mannelijke weigeraars van ondertekening van deze verklaring worden geplaatst in Kamp Amersfoort of Vught en later gedeporteerd naar de Duitse kampen Sachsenhausen, Neuengamme en Buchenwald. De vrouwen gaan vrijwel allemaal naar Kamp Ravensbrück. Het transport daarheen is verschrikkelijk: 80 personen in één veewagen en dat drie dagen lang zonder drinken, voedsel en sanitair……

Het verblijf in de kampen is extra zwaar, omdat de Jehovah's veelal weigeren werk uit te voeren ten behoeve van de oorlogsindustrie. De gebruikelijke straf hiervoor is telkens 25 stokslagen.

126 gevangen Nederlandse Jehovah's zijn in diverse kampen omgekomen als gevolg van ziekte, zware mishandeling, executie en ophanging. De meeste van hen in concentratiekampen in Duitsland, waaronder acht in Auschwitz.

Betje Honders

Eén van die laatste slachtoffers is de in Maurik geboren Elisabeth Honders. Haar ouders zijn Liendenaar Jan Willem Honders en de uit Eck en Wiel afkomstige Elisabeth Flipse. Zij trouwen in 1910 in Maurik en de drie maanden oude Elisabeth wordt bij dit huwelijk gewettigd. Ze krijgen nog vijf kinderen, maar op Roelofina Johanna (1912-1992) na, overlijden die zeer jong.

Over haar vroegste jeugd is helaas weinig bekend. In juli 1928 vertrekt Elisabeth vanuit Ingen als dienstbode naar verschillende adressen in Utrecht.

Haar ouders verhuizen midden jaren dertig vanuit Ingen ook naar Utrecht: Bollenhofsestraat 10 in de wijk Wittevrouwen. Elisabeths toekomstige echtgenoot Dirk Johannes Koot is daar hun buurman. Ze trouwt met hem op 30 oktober 1935. Haar zoon Joop is dan al drie maanden oud.

Al sinds het begin van de oorlog is Elisabeth ("Betje") al lid van de Vereeniging van Bijbelvorschers, zoals de Jehovah's Getuigen door de Duitsers genoemd worden. Lidmaatschap van deze kerkgenootschap is verboden, maar toch brengt Betje, tot ongenoegen van haar echtgenoot, in Utrecht het kerkblad De Wachttoren rond.

Werkweigering

Op 6 september 1941 is Elisabeth voor een geheime doopplechtigheid bij de familie Hemmink in de Fruitstraat in Utrecht. Eén van de veronderstelde geloofsgenoten is geïnfiltreerd en verraadt de bijeenkomst bij de Sicherheitsdienst (SD) en 'Betje' wordt met 29 andere geloofsgenoten gearresteerd. Via een politiebureau in Zeist worden drie vrouwen uit dit gezelschap overgebracht naar de gevreesde gevangenis 'Oranjehotel' in Scheveningen. Op 27 oktober 1941 wordt Elisabeth van daaruit 'zur Verfügung der Gestapo' gesteld en overgebracht naar het Duitse Kamp Ravensbrück. Ook hier blijft ze trouw aan haar geloof en weigert bepaalde werkzaamheden, zoals het naaien van kleding voor de Duitse militairen. De gebruikelijke straf daarvoor is 25 stokslagen en halvering van het voedselrantsoen. Bij 'collectieve werkweigering' volgt vaak opsluiting in een bunker en bij volharding uiteindelijk zelfs ophanging.

Elizabeth is een 'extreem geval' van 'individuele werkweigering'. Zij accepteert het Duitse gezag niet en weigert bevelen op te volgen. Met enkele andere Getuigen wordt ze in het najaar van 1942 van Ravensbrück naar Auschwitz overgebracht. 'Betje' moet hier op 8 maart 1943 zijn overleden. Helaas zijn er geen kampgegevens meer uit deze periode, zodat de precieze doodsoorzaak onbekend is. Haar man en zoon hebben na haar arrestatie nooit meer iets van haar vernomen.

De vastberaden houding van Betje en haar geloofsgenoten verdient respect. In de kampen zijn zij mikpunt van scheldpartijen, spotternijen en (zware) mishandelingen geweest, maar bewonderingswaardig hebben zij hun lot gedragen. In hun gezamenlijke gebeden hebben zij God zelfs gesmeekt om het hun vervolgers te vergeven.

Hopelijk krijgen de 126 namen van de omgekomen Jehovah's Getuigen op het 'Holocaust Namenmonument Nederland' alsnog een plaatsje en worden ze eindelijk aan de vergetelheid onttrokken. Iets dat voor hun nabestaanden óók van onschatbare waarde is.

Over het wel en wee van Jehovah's Getuigen tijdens de oorlog in de West-Betuwe, is weinig bekend. Mocht u over informatie beschikken, neem dan contact op met de auteur: telefonisch 0345-502583 of via zijn vernieuwde website www.oorlogsslachtofferswestbetuwe.nl