• archief R. Beijnen
  • archief J. van Rooijen
  • Het knekelhuisje op Alg. Begraafplaats Beusichem.

Olympisch kampioen Toon Beijnen ook verzetsleider (2)

BEUSICHEM Beusichemmer Toon Beijnen was in 1924 de eerste Gelderse Olympische goudenmedaillewinnaar, zoals in deel 1 van dit tweeluik al is belicht. Dat hij echter in de laatste oorlogsjaren ook een actieve rol in het verzet speelde en zelfs een hoofdrol had aan de vooravond van de capitulatie-onderhandelingen, is slechts weinigen bekend. Zelfs het naar hem genoemde straatnaambord in Beusichem refereert er niet naar.

Richard van de Velde

Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte Toon Beijnen persoonlijk betrokken bij het verzet. In zijn villa Engelenburg aan de Molenweg in Beusichem, werd een Staf van het hoofdkwartier van de Duitse Wehrmacht ingekwartierd en de kinderloze Toon en zijn vrouw Erna kregen alleen de beschikking over hun keuken en bovenverdieping. Die moesten ze nog delen met een naar Nederland gevluchte broer van Ery en zijn gezin. Desondanks werd hun huis een belangrijke doorgangsplaats in de vluchtroute voor gestrande geallieerde piloten, die vanuit Amersfoort via de Lek en Waal naar bevrijd gebied voerde.

Vanwege de mislukte luchtlanding bij Arnhem in september 1944 en later bij het door de Duitsers onderwater zetten van een groot deel van de Over Betuwe, werd de eerste pilotenescapelijn naar het westen verlegd en ontstond er mede door toedoen van Toon de zgn. Pegasus 2 ontsnappingsroute.

Aan de toenmalige Lekdijk in Wijk bij Duurstede, nabij het Beusichemse Veer, probeerden de gestrande geallieerde piloten vanuit de boerderij van de broers Willem, Frans en Har van Rooijen de Lek over te komen. Die oversteek moest dan gebeuren aan de Betuwse kant van de Lek tussen twee boerderijen die daar in de uiterwaarden stonden: de linkse heette De Duinen en was van de familie Stappershoef en de ander heette De Oven (genoemd naar de vml. steenfabriek) en werd bewoond door de familie Wammes.

Er was een afspraak tussen de broers van Rooijen en hun overbuurman Goof Wammes. Als er 'crossers' waren, dan werd er een jute zak over de heining gehangen of ze zetten het deksel rechtop van een melkbus die op de dijk stond. Van de broers was Frans de enige, die de vluchters dan 's nachts met een roeiboot naar de overzijde bracht. Bij terugkomst liet hij het vaartuig dan bij de waterkant zinken, zodat die voor niemand zichtbaar was.

Na een kort verblijf in de kelder van de fam. Wammes, werden de crossers dan vervolgens in het holst van de nacht door Toon Beijnen via De Wiel aan de Lekdijk Oost en het Wielpad naar het knekelhuisje op de begraafplaats van Beusichem geloodst. Als de kust veilig was, kropen ze door de heg naar zijn aangrenzende villa Engelenburg. Daar werden ze of zolang in het kippenhok geplaatst of ze werden via een ladder aan de achterzijde van zijn huis naar binnengesmokkeld en naar de zolder geleid. Op een gegeven moment verbleven daar zelfs elf geallieerde militairen. Vanwege de koude rivieroversteek moesten de meesten daarvan hoesten en proesten. Nicht Riet Beijnen (69): ,,Oom Toon en zijn vrouw Ery waren verstokte rokers en probeerden dit voor de Duitse 'kostgangers' te verhullen door nog luider in huis te kuchen."

Naarmate de oorlog vorderde, maakten ook (Joodse) onderduikers, koeriers en ontsnapte krijgsgevangen gebruik van deze oversteek en werd het een steeds gevaarlijker activiteit.

Ondanks de Duitse inwoning, had Toon vaak wel zes tot zeven onderduikers op zijn zolder. Dat was overdag geen probleem, omdat de Duitsers dan niet aanwezig waren. De crossers werden na aankomst onder andere door Toon aan een verhoor onderworpen om te controleren of er geen 'verkeerde elementen' tussenzaten en/of hen militaire geheimen te ontfutselen. Zonder persoonsbewijs, waarmee hun namen te checken waren, werden deze mensen ook niet geholpen op hun vlucht. Als alles in orde was bevonden, werden ze naar boerderij De Laak van boer Van Hattem in Asch gebracht, waar ze konden bijkomen van hun belevenissen. Om op hun vluchtroute geen argwaan te wekken, kleedden zij zich in een overal of kiel.

Verzetsman Jo van Koeverden, zelf ook gekleed in blauwe kiel en een melkemmer dragend, begeleidde ze daarna naar zijn boerderij De Prinsentuin aan de Kornedijk in Buren. Dick Buisman nam vervolgens de piloten in tweetallen per fiets mee via Kapel-Avezaath naar de consistorie van de kerk in Wadenoijen.

Daar werden de crossers weer overgedragen aan de commandant van het Waalcommando, Gijs de Bie. Die bracht ze 's nachts lopend naar Huize 't Klooster van Anton Sillevis (familie van Toon Beijnen) in Zennewijnen. Als de kust veilig was, werd er contact opgenomen met de Engelsen aan de overzijde van de Waal of met Leendert Papo. Deze moedige man zette veel crossers in zijn roeiboot de Waal over. Ter herinnering hieraan staat bij Zennewijnen aan de dijk het standbeeld 'De roeier'.

Er was vanaf Asch ook een alternatieve (naamloze) route, maar die was meer bedoeld voor de burgervluchtelingen die naar het zuiden probeerden te komen. Deze liep door het Trichtse Veld naar Mariënwaerdt in Beesd, vervolgens bij Rhenoy de Linge over en via de onbewaakte pont bij Brakel naar de Bommelerwaard. Daarna bij Aalst de afgedamde Maas over en dan was je in Veen. Van daaruit probeerde ze, meestal via de Biesbos, in Made of Drimmelen in het bevrijde Brabant terecht te komen.

Waren de papieren van de vluchtende onderduikers of verzetslieden niet in orde, dan werden ze voor nadere controle zolang in Tricht ondergebracht in huize Flandria of de steenfabriek.

Afluisteren

Op 4 mei 1945 bracht de Duitse Veldmaarschalk Blaskowitz een bezoek aan Generaal Philippi, de commandant van de 361e Volksgrenadiersdivisie. Het gesprek vond plaats in zijn Beusichemse commandocentrum, boerderij De Breedendam.

Na enkele uren vervolgden beide heren het gesprek in het iets verderop gelegen Huize Engelenburg, waar Philippi met zijn staf was ingekwartierd. Hier kwam in de huiskamer het bevel van het 'Oberkommando der Wehrmacht' ter sprake. Daarin stond dat vanaf acht uur de volgende dag alle Duitse troepen in Noordwest-Europa hun wapens zouden neerleggen. Blaskowitz was het daarmee oneens, want hij was bang dat zijn troepen in Russische krijgsgevangenschap zouden geraken. Hij wilde betere voorwaarden krijgen door te dreigen dat hij dijken en sluizen zou opblazen en West-Nederland onder water zou zetten, met duizenden doden als gevolg.

Riet Beijnen: "Oom Toon, die ondertussen commandant was van de Binnenlandse Strijdkrachten in Beusichem, had via een dubbele deur in de keukenkast dit hele gesprek afgeluisterd en gaf dit door aan zijn collega in Geldermalsen. Die seinde letterlijk de Geallieerden in."

Hoofdonderhandelaar bij de Duitse capitulatie, de Canadese generaal Foulkes, riep Blaskowitz de volgende dag naar Wageningen toe en liet doorschemeren dat hij van zijn snode plannen op de hoogte was. Een ramp was afgewend en op 6 mei 1945 tekende de Duitse opperbevelhebber tenslotte met tegenzin het capitulatiedocument in de aula van de Wageningse Landbouwhogeschool.

Toon Beijnen was helaas geen lang leven beschoren. Hij overleed plotseling op 50-jarige leeftijd aan de gevolgen van hartfalen op 13 juli 1949. Hij ligt op de Algemene Begraafplaats in Beusichem bijna in zijn achtertuin begraven, rechts van het 'knekelhuisje' dat in de oorlog zo'n cruciale rol speelde bij de 'crossings'.

Riet Beijnen hierover: ,,De begrafenisstoet was zo lang, dat de eersten al op de begraafplaats stonden, toen er voor Engelenburg nog steeds mensen aansloten."

Voor zijn werk als verzetsleider is hij nooit onderscheiden. Wellicht dat er op zijn straatnaambord in Beusichem ooit de toevoeging "verzetsleider" komt te staan, maar of de bescheiden Toon dat zelf gewild zou hebben, valt te betwijfelen.

Mocht u nog over aanvullende informatie beschikken, dan kunt u contact opnemen met Richard van de Velde, telnr. 0345-502583 of via zijn vernieuwde website www.oorlogsslachtofferswestbetuwe.nl